Regio's (klik op een regio)
Contact
NVRR Nederlandse Vereniging van Rekenkamers & Rekenkamercommissies
NVRR Congres nieuws 20 april

Alle informatie over het congres vindt u onder het logo

NVRR Reactie op rapport Berenschot

Reactie NVRR aan minister Donner

FAQ

Categorieën

Relevante wet- en regelgeving

  • Vergoeding externe leden - is er sprake van Dienstbetrekking?
    Vraag:
    De gemeente X gaat een externe voorzitter en extern lid benoemen in de Rekeningcommissie die tevens belast is met de rekenkamerfunctie. De kandidaat die aan de raad voorgedragen wordt heeft een management-bv. De vraag is of de functie van extern vz/lid wettelijk/fiscaal al dan niet een dienstbetrekking is.

    Antwoord (Watze de Boer, Voorzitter Rekenkamer Utrecht)

    De leden van de Rekenkamer kunnen beschouwd worden als "pseudowerknemers" zoals wethouders en raadsleden. Het onderstaande artikel uit de handleiding voor de loonbelasting is van toepassing.

    Pseudo-werknemers (opting-in)
    Pseudo-werknemers hebben een arbeidsverhouding die geen echte noch een fictieve dienstbetrekking is. Zij kunnen er echter samen met hun opdrachtgever voor kiezen om hun arbeidsverhouding aan te merken als fictieve dienstbetrekking. Deze regeling wordt ook 'opting-in' genoemd. De pseudo-werknemer en de opdrachtgever hoeven hun keuze alleen te melden bij de Belastingdienst.

    Na de melding is de opdrachtgever inhoudingsplichtig en houdt hij volgens de gewone regels loonheffing in op de arbeidsbeloning van de pseudo-werknemer. Dit betekent ook dat hij de pseudo-werknemer de mogelijkheid kan bieden om deel te nemen aan een werknemersspaarregeling of een pensioenregeling. Ook kan hij belastingvrije vergoedingen en verstrekkingen geven.

    Voor opting-in gelden de volgende drie voorwaarden:
    1. De pseudo-werknemer ontvangt van zijn opdrachtgever een beloning voor zijn werkzaamheden.
    2. De pseudo-werknemer is niet in echte of fictieve dienstbetrekking bij zijn opdrachtgever.
    3. De pseudo-werknemer verricht zijn werkzaamheden niet als ondernemer.Voor de melding aan de Belastingdienst kan gebruik gemaakt worden van het formulier Verklaring opting-in
    Let op!
    Bij opting-in wordt de arbeidsverhouding op vrijwillige basis onder de loonheffing gebracht. Deze keuze heeft geen arbeidsrechtelijke gevolgen. Er ontstaat bijvoorbeeld geen ontslagbescherming. Ook de werknemersverzekeringen kennen het begrip opting-in niet.

    Voor de pseudo-werknemer kan de opdrachtgever alleen de afdrachtvermindering arbo non-profit toepassen. De overige afdrachtverminderingen zijn op de pseudo-werknemer niet van toepassing.

    Hierdoor kan de vergoeding aan de leden van de Rekenkamer zonder inhouding van belasting of sociale verzekeringspremies via het salarissysteem overgemaakt worden. De brutovergoeding dient wel aan de belastingdienst te worden gemeld. De leden van de Rekenkamer moeten hier uiteraard rekening mee houden met hun aangifte inkomstenbelasting. Het is wel mogelijk via de regeling "opting-in" loonheffing in te laten houden op hun vergoeding.

    Bovenstaande betekent dus dat de leden een keuze hebben of zij ontvangen de uitkering onbelast en dragen zelf zorg voor de afdracht of zij kiezen voor de opting-in regeling. In beide gevallen gaat het niet om een dienstverband. Het lijkt geen probleem om een factuur van een BV te ontvangen voor de vergoeding. Dit doet namelijk niet af aan het feit dat het niet om een dienstverband gaat. Daarbij wordt er wel vanuit gegaan dat de in rekening gebrachte BTW door de Gemeente gecompenseerd kan worden. Bij twijfel is het overigens verstandig om vooraf overleg te plegen met de fiscus.
  • Vergoeding externe leden - gehouden aan art. 96 Gemeentewet?
    Vraag:
    De rekenkamercommissie X bestaat uit raadsleden en leden die ook lid zijn van andere raadscommissies alsmede een externe voorzitter. Omdat de leden ook zelf delen van onderzoeken uitvoeren (interviews bv) bestaat de behoefte aan een vergoedingenregeling die daarop aansluit, bv. een uurvergoeding. Discussie is er over de vraag of de commissieleden, niet zijnde raadsleden wel een dergelijke vergoeding mogen ontvangen of dat zij gebonden zijn aan de regeling ex artikel 96 Gemeentewet. Volgens mij laat art. 81p van de Gemeentewet de regeling van de rekenkamerfunctie open, ook vwb de vergoedingen. Art. 96 slaat op de commissie die in hoofdstuk V Gemeentewet worden geregeld. Leden van de rekenkamercommissie, die ook commissielid zijn, gelden voor de rekenkamercommissie m.i. als extern lid. De vraag die ik aan u heb laat zich raden: heb ik het bij het goede eind?

    Antwoord (Anneke Bovens, Rekenkamer Rotterdam)

    Commissies in de Gemeentewet
    De rekenkamerfunctie is pas op een laat tijdstip bij amendement in de wet terecht gekomen. De wetgever heeft dan ook in de toelichting geen nadere gedachten gewijd aan de vraag of een rekenkamerfunctie per definitie wordt ingevuld door een commissie als bedoeld in artikel 84 Gemeentewet. De Rekenkamerfunctie is in de Gemeentewet dan ook vormvrij. Noch in de wet zelf, noch in de toelichting is nader omschreven hoe de wetgever dit ziet. De enige voorwaarde is dat de Raad bij verordening regels voor de uitoefening van deze functie vaststelt. De meeste gemeenten die kiezen voor een rekenkamerfunctie stellen hiervoor een commissie in.

    De Gemeentewet kent in hoofdstuk V een artikel (artikel 84) op basis waarvan de Raad, college of burgemeester andere commissies dan bedoeld in artikel 82 en 83 kan instellen. Dit kan bijvoorbeeld een commissie zijn die adviseert over de behandeling van bezwaarschriften of van klachten. Een dergelijke commissie kan bestaan uit raadsleden en/of uit externe leden. Het commissiestelsel in de Gemeentewet is limitatief bedoeld. Wanneer de gemeenteraad een Rekenkamercommissie instelt bestaande uit in- en externe leden is dit dus per definitie een commissie ex artikel 84 Gemeentewet.

    Vergoeding van externe commissieleden
    In artikel 96 van de Gemeentewet is de geldelijke voorziening (vergoeding) voor commissieleden geregeld. Deze regeling houdt voor zover hier van belang het volgende in:
    • vergoeding wordt bij verordening vastgesteld;
    • alleen voor de commissieleden voor zover zij geen lid zijn van de raad; vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen van een commissie;
    • vergoeding van reis- en verblijfskosten in verband met reizen binnen de gemeente;
    • in bijzondere gevallen kan de raad bij verordening bepalen dat leden van (…)een (….) commissie als bedoeld in artikel 84 een vaste vergoeding voor hun werkzaamheden ontvangen.
    Voor de vraag van de gemeente X is met name het laatste punt (het tweede lid van artikel 96) van belang.

    bijzonder geval
    Wanneer is sprake van een bijzonder geval? Zoals altijd is dit ook hier afhankelijk van de omstandigheden en van de wijze waarop deze omstandigheden worden geinterpreteerd.

    Het feit dat voor een bepaalde functie/commissie een zeer bijzondere deskundigheid nodig is, zou een bijzonder geval kunnen opleveren. Ook de omstandigheid dat veel extra werk verricht moet worden zou een bijzondere omstandigheid kunnen zijn. Maar valt een regulier rekenkameronderzoek hier ook onder? En hoe bijzonder is de deskundigheid die is vereist voor de rekenkamerfunctie vergeleken met andere deskundigencommissies, zoals de commissie bezwaarschriften?

    Een goede argumentatie is dus van belang. Juist een rekenkamerfunctie moet immers aantoonbaar zorgvuldig met gemeenschapsgeld omgaan. Afwijking van het gangbare (bijvoorbeeld wanneer de vergoeding per saldo veel hoger is dan de vergoeding die de qua deskundigheid vergelijkbare externe leden van een commissie bezwaarschriften voor hun inzet ontvangen) moet dus gebeuren op goede gronden. Het is een interessante vraag of het feit dat de rekenkamerfunctie niet voldoende budget heeft gekregen van de raad om een extern bureau in te schakelen, en daarom afhankelijk is van de inzet van de rekenkamerfunctie-leden zelf, als een goed argument wordt opgevat.

    bij verordening
    Dit zal doorgaans een aparte verordening zijn,. De verordening dient na vaststelling aan Gedeputeerde Staten te worden gezonden.

    vaste vergoeding
    De wet spreekt van een vaste vergoeding. Dit sluit een vergoeding op basis van achteraf gedeclareerde uren m.i. uit omdat met een vaste vergoeding niet wordt bedoeld ‘een vast bedrag per uur’ maar een vast bedrag per maand of per jaar. Wel kan in de verordening worden bepaald dat dit bedrag jaarlijks wordt geindexeerd.

    voor hun werkzaamheden
    De eis van transparantie maakt het noodzakelijk dat vanwege de rekenkamerfunctie goed inzichtelijk gemaakt kan worden hoe de middelen worden besteed. Wanneer blijkt dat het onderzoeksbudget van de rekenkamerfunctie voor een behoorlijk deel is betaald aan een of meer rekenkamerfunctie-leden omdat deze de onderzoekswerkzaamheden voor de rekenkamerfunctie hebben verricht zou dit vragen kunnen oproepen. (Waarom is het niet uitbesteed aan een onderzoeksbureau, waarom heeft nu net dit specifieke lid dat een eigen onderzoeksbureau heeft de werkzaamheden uitgevoerd, wie toetst de declaraties etc.).

    Rekenkamercommissie X
    Rekenkamercommissie X heeft drie soorten leden:
    1) raadsleden;
    2a) externe voorzitter;
    2b) externe leden die ook lid zijn van andere raadscommissies.

    Ad 1):
    Raadsleden ontvangen een vergoeding op basis van artikel 95 Gemeentewet. Het lidmaatschap van de rekenkamerfunctie is te zien als een onderdeel van het raadslidmaatschap en vergoeding daarvoor valt binnen de vergoeding ex artikel 95.

    Ad 2a):
    Vergoeding van de externe leden, inclusief de voorzitter dient te worden vastgelegd in een aparte verordening. Voorzitters ontvangen doorgaans een hogere vergoeding dan de overige leden.

    Ad 2a en 2b)
    Voor vergoeding van de externe leden is volgens mij niet relevant dat zij ook in andere (raads-)commissies zitting hebben. De vergoeding van de rekenkamerfunctie wordt immers in een aparte verordening geregeld.

    Conclusie
    De conclusie op basis van bovenstaande uitleg van de Gemeentewet is dat er voor vergoeding van werkzaamheden twee mogelijkheden zijn:
    • een vergoeding per vergadering;
    • in bijzondere gevallen een vast bedrag per jaar.
    Dit dient te worden gemotiveerd en in de verordening te worden vastgelegd. Declaratie (bijvoorbeeld op basis van gewerkte uren) is op grond van de wet niet toegestaan.

    Tot slot
    Bovenstaand antwoord is de situatie op basis van de huidige Gemeentewet. Zoals in het begin al gesteld, is de wet nauwelijks ingegaan op de consequenties van de rekenkamerfunctie. De vraag van de gemeente X leeft breder. Ook andere gemeenten zoeken naar mogelijkheden om de inzet van rekenkamercommissieleden op een adequate manier te vergoeden op een manier die in overeenstemming is met de Gemeentewet.

    Zo heeft de gemeenteraad van een gemeente bepaald dat de rekenkamercommissieleden gemiddeld drie dagdelen per maand beschikbaar dienen te zijn, waarvoor zij een vaste vergoeding van € 200,-- bruto per dagdeel en een reiskostenvergoeding ontvangen. Het presentiegeld voor het bijwonen van vergaderingen bedraagt per vergadering € 125,-- voor een lid en € 150,-- voor de voorzitter (bron: advertentie in nieuwsbrief de Lokale rekenkamer). Een andere gemeente legt het begrip ‘vergadering van de commissie’ zo uit dat ook het houden van interviews er onder wordt verstaan.

    Het probleem waar het hier uiteindelijk om gaat is niet zozeer of de regeling uit de Gemeentewet goed wordt toegepast, maar of een rekenkamercommissie door de Raad voldoende middelen krijgt toebedeeld om de onderzoekswerkzaamheden goed uit te voeren. Indien de rekenkamercommissie niet voldoende personele ondersteuning krijgt of onvoldoende budget om de onderzoeken door een extern bureau te laten uitvoeren is de rekenkamerfunctie uiteindelijk niet goed uit te voeren. De oplossing hiervoor kan in verschillende richtingen worden gezocht:
    •  o wijzigen van de vergoedingsregeling in artikel 96 van de Gemeentewet, zodat rekenkamercommissieleden die zelf het onderzoekswerk doen daar op een redelijke wijze een vergoeding voor kunnen krijgen;
    • o bepleiten van een ruimer budget voor rekenkamerfuncties zodat er voldoende onderzoekscapaciteit kan worden ingezet om de rekenkamerfunctie daadwerkelijk te kunnen waarmaken.
  • Vergoeding externe leden - Basering passage uit NVRR aanbeveling
    In de NVRR aanbeveling vergoedingen is de volgende passage opgenomen: “Gemeenten en provincies komen bij de oprichting van hun rekenkamer of rekenkamercommissie voor de vraag te staan voor welke vergoeding de externe leden in aanmerking komen. Voor de raads- of statenleden die lid worden speelt die vraag niet. Zij mogen naast hun raads- of statenvergoeding geen andere inkomsten van gemeente- of provinciewege hebben. Zij worden geacht hun werkzaamheden voor de rekenkamercommissie als onderdeel van hun reguliere raads- respectievelijk statenwerk te verrichten."

    Waarop is deze passage gebaseerd? De externe leden kunnen in aanmerking worden gebracht voor de vergoeding genoemd in artikel 14 (Vergoeding leden van een commissie) van het rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. Voor raadsleden geldt dit niet. Zij ontvangen voor hun werk niks extra's. In artikel 99 lid 1 van de gemeentewet is dit bepaald.
  • Welke toepassing heeft de Wet openbaarheid van bestuur op het werk van de rekenkamer
    In de rekenkamer X is reeds meerdere malen gesproken over de Wet openbaarheid van bestuur in zijn algemeenheid en specifiek over de toepassing van deze wet op het werk van de rekenkamer. Er is steeds vanuit gegaan dat geen medewerking behoeft te worden verleend aan een verzoek om informatie op grond van de Wob. De rekenkamer hecht aan het vertrouwelijk karakter van al haar documenten. Het eindrapport is uiteraard openbaar. Kan dit standpunt staande worden gehouden op het moment dat werkelijk een verzoek om informatie op grond van de Wob bij de rekenkamer wordt ingediend?

    Samenvattend antwoord
    Nee, het standpunt dat geen medewerking behoeft te worden verleend aan een verzoek om informatie op grond van de Wob kan niet in algemene zin staande worden gehouden. Per verzoek zal een afweging moeten worden gemaakt.

    In het hiernavolgende wordt uitgebreider ingegaan op de Wob en de betekenis van de Wob voor rekenkamers. De werking van de Wob in de praktijk moet zich voor rekenkamers nog uitkristalliseren doordat rekenkamers, voor zover bekend, nog niet veel te maken hebben gehad met Wob-verzoeken.

    De Rekenkamer Rotterdam hanteert de volgende beleidslijn. Uiteraard geldt dat bepaalde documenten nooit zullen worden verstrekt, vanwege bv de staatsveiligheid. Deze vallen onder de zogenoemde absolute uitzonderingsgronden in art. 10 lid 1. (zie verder) . Voor de overige documenten hangt de afweging openbaarmaking versus geheimhouding af van de stand van het onderzoek. Zolang er sprake is van lopend onderzoek (rapport nog niet gepubliceerd) zal de Rekenkamer alle WOB-verzoeken die betrekking hebben op nog niet eerder openbaar gemaakte documenten afwijzen met een beroep op de uitzonderingsbepalingen in art. 10 lid 2.

    In onze afweging legt op dat moment het belang van openbaarmaking het af tegen het belang van geheimhouding. Met name de uitzonderingsbepaling ‘het belang dat de geadresseerde erbij heeft als eerste kennis te kunnen nemen van de informatie’, geldt ons inziens voor de eerst geadresseerde B&W bij wederhoor en voor de gemeenteraad en B&W bij publicatie.

    Daarbij speelt tevens een andere uitzonderingsbepaling: ‘het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling’. Overigens lijkt de uitzonderingsbepaling ‘inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen’ ook van toepassing maar in de MvT bij de Wob wordt in dat verband alleen aan opsporingsorganen gerefereerd. Achterliggende gedachte hierbij is dat openbaarmaking van documenten tijdens een lopend onderzoek letterlijk leidt tot halve waarheden en tot een onvolledige, niet afgewogen en daarmee wellicht schadelijke informatieverspreiding.

    Als er echter gepubliceerd is, gaat dat argument niet meer op. Iedereen kan en mag dan beoordelen in hoeverre bv. bevindingen uit een interviewverslag door de Rekenkamer al dan niet correct zijn betrokken in de publicatie. Na publicatie wegen wij daarom het belang van openbaarmaking zwaarder. Zij het dat we per document de afweging zullen blijven maken.

    De Wob en de rekenkamer
    Aangezien een rekenkamer een bestuursorgaan is, is de Wob onverkort van toepassing. Dit geldt voor alle rekenkamers, ongeacht of het een rekenkamer of rekenkamercommissie betreft. Artikel 3, eerste lid, Wob is derhalve van toepassing op een rekenkamer.

    Deze bepaling zegt: “Een ieder kan een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.” De informatie waarop het verzoek ziet, moet neergelegd zijn in documenten. In de terminologie van de wet omvat dit een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of andere materiaal dat gegevens bevat. Niet alleen papieren stukken, maar ook elektronische informatiedragers, beeld- en geluidsdragers etc. komen in aanmerking voor openbaarmaking. De verzochte informatie moet een bestuurlijke aangelegenheid betreffen.

    In de rechtspraak is uitgekristalliseerd dat een bestuurlijke aangelegenheid ziet op het openbaar bestuur in al zijn facetten. Hieronder wordt verstaan alle aangelegenheden die betrekking hebben op het beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan, alsmede de interne organisatie van het betreffende bestuursorgaan. Bestuurlijke aangelegenheid is dus een zeer ruim begrip.

    Ten slotte is van belang te wijzen op de zinsnede een ieder. Omdat de Wob is gebaseerd op het uitgangspunt dat openbaarheid van overheidsinformatie an sich een belangrijk publiek belang is, heeft elke burger, bedrijf of organisatie het recht om een verzoek in te dienen. Op geen enkele wijze hoeft de verzoeker dus aan te geven waarom hij de informatie nodig heeft. Hiermee hangt samen dat de verzoeker geen bij de informatie betrokken belang hoeft te hebben.

    Een andere consequentie van dit uitgangspunt is dat er geen selectieve openbaarmaking mag plaatsvinden; informatie aan de één, is informatie aan iedereen. Elke burger kan derhalve op basis van de Wob een verzoek om informatie indienen m.b.t. het gehele reilen en zeilen van de rekenkamer. De verzoeken hoeven dus niet alleen betrekking te hebben op onderzoeksrapporten zelf, maar kunnen tevens zien op al het onderliggend materiaal. Ook indien het afkomstig is van het college, instellingen in de zin van artikel 184 Gemeentewet en ambtelijke diensten etc.

    Verder dient rekening te worden gehouden met het feit dat een Wob-verzoek ook de interne organisatie van een rekenkamer kan betreffen. Aangezien een rekenkamer vaak werkt met documenten afkomstig van andere organisaties (college, diensten etc.) is het raadzaam om, in geval van een Wob-verzoek dat ziet op die documenten, in contact te treden met de organisatie waarvan de documenten afkomstig zijn.
    Op deze wijze kan er achter worden gekomen welk standpunt bijvoorbeeld het college inneemt m.b.t. het openbaar kunnen maken van bepaalde documenten.

    Zodoende kan een rekenkamer al de betrokken inzichten tot zich nemen op basis waarvan op een zorgvuldige wijze een besluit wordt genomen. Het is en blijft namelijk de rekenkamer zelf die geheel verantwoordelijk is voor het nemen van een besluit.

    Uitzonderingsgronden
    Het recht op informatie ingevolge de Wob is niet ongelimiteerd. Er zijn uitzonderingen (artikel 10) en beperkingen (artikel 11). Artikel 10, eerste lid, geeft absolute uitzonderingsgronden. Dit houdt in dat, indien bepaalde informatie onder één van de volgende vier uitzonderingsgronden valt, deze informatie zonder meer niet wordt verstrekt:
    • de eenheid van de Kroon;
    • de veiligheid van de Staat;
    • bedrijfs- en fabricagegevens die vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld of
    • persoongegevens met name betreffende iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven en lidmaatschap van een vakvereniging.
    In artikel 10, tweede lid, zijn relatieve uitzonderingsgronden opgesomd. Elke keer wanneer de openbaarmaking van bepaalde informatie strijd oplevert met de in het tweede lid genoemde belangen, moet een afweging worden gemaakt tussen het specifieke belang dat met geheimhouding wordt beschermd en het publieke belang van openbaarheid van de gevraagde informatie.

    De belangen die als relatieve uitzonderingsgrond kunnen gelden, zijn:
    • betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale organisaties;
    • de economische of financiële belangen van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, eerste lid, onder c en d, bedoelde bestuursorganen;
    • de opsporing en vervolging van strafbare feiten;
    • inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;
    • de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
    • het belang dat de geadresseerde erbij heeft als eerste kennis te kunnen nemen van de informatie of
    • het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling

    Beperkingsgronden
    Op basis van artikel 11 wordt aan de informatieverstrekking uit documenten beperkingen gesteld, indien de documenten zijn bedoeld voor intern beraad voor zover daarin persoonlijke beleidsopvattingen zijn opgenomen.

    Onder intern beraad wordt ingevolge de Wob verstaan het beraad over een bestuurlijke aangelegenheid binnen een bestuursorgaan of een kring van bestuursorganen in het kader van een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor een bestuurlijke aangelegenheid. Hieronder vallen ook de ten behoeve van dat beraad gevraagde bijdragen van externe deskundigen.

    Onder persoonlijke beleidsopvattingen wordt verstaan een opvatting, voorstel, aanbeveling of conclusie van één of meer personen over een bestuurlijke aangelegenheid en de daartoe door hen aangevoerde argumenten, met inbegrip van daarmee nauw verweven gegevens van feitelijke aard. Indien sprake is van documenten ten behoeve van intern beraad waarin persoonlijke beleidsopvattingen zijn opgenomen, kunnen deze documenten slechts openbaar gemaakt worden, indien de informatie slechts in een niet tot de persoon herleidbare vorm wordt verstrekt. Of degene die de persoonlijke beleidsopvatting heeft geuit of zich er achter heeft gesteld, moet instemmen met de volledige openbaarmaking.

    De Wob en de geheimhoudingsplicht
    Indien op een bepaald terrein de openbaarheid van informatie uitputtend is geregeld, gaan deze regels voor op de Wob. Van specifiek belang zijn de bepalingen in de Gemeentewet, bijvoorbeeld artikel 55, en de Provinciewet, bijvoorbeeld artikel 55, die de bevoegdheid aan het college/gedeputeerde staten, de raad/provinciale staten en commissie geven om omtrent een document geheimhouding op te leggen.

    Indien een rekenkamer een document onder zich heeft waarop een geheimhoudingsplicht rust, mag de rekenkamer deze niet openbaar maken (zie ook Gemeentewet art 185, lid 1). Voor alle duidelijkheid: rekenkamer kan zelf geen geheimhoudingsplicht opleggen. Bij elk verzoek afzonderlijk een afweging maken.

    Geconcludeerd kan worden dat:
    • - de Wob van toepassing is op de rekenkamer;
    • - iedereen een verzoek om informatie kan indienen;
    • - bij elk verzoek afzonderlijk een afweging moet worden gemaakt;
    • - niet is toegestaan een algemene beleidslijn te hanteren die bepaalt dat niet hoeft te worden meegewerkt aan een Wob-verzoek;
    • - bij de afzonderlijke afweging moet worden bekeken of uitzonderingen of beperkingen van toepassing zijn en of er geen geheimhoudingsplicht geldt.
Mocht u een vraag hebben die niet beantwoord word in deze F.A.Q. dan kunt u via dit formulier uw vraag stellen.
Terug naar het overzicht