Een spiegel van het lokale rekenkamerlandschap
‘’Op rekenkamers kun je rekenen’’
Op de Algemene Ledenvergadering van 18 maart a.s. in Amersfoort presenteert de Nederlandse Vereniging van Rekenkamers & Rekenkamercommissies (NVRR) de resultaten van een onderzoek naar het functioneren van rekenkamer(commissie)s in Nederland. Dit onderzoek is, op verzoek van de Nvrr, uitgevoerd door onderzoeksbureau Byond en begeleid door wetenschappers van de Universiteit Groningen. De titel is ‘’Spiegel van het rekenkamerlandschap’’.
Het onderzoek van Byond komt tot de volgende conclusies:
1. ‘’Dé lokale rekenkamer’’ bestaat niet
De 12 provincies hebben hun rekenkamerfunctie ondergebracht in een rekenkamer. Van de (in 2010) 441 gemeenten heeft ca. 7% een rekenkamer, de overige gemeenten hebben gekozen voor een rekenkamercommissie. Er is grote variatie in de vormgeving van met name de rekenkamercommissies. Op basis van deze variatie is geen directe relatie waar te nemen tussen de gekozen vormgeving en de mate van succes die aan een rekenkamercommissie wordt toegekend.
In dit gevarieerde rekenkamerlandschap domineren drie vormen: a. de gemengde rekenkamercommissie met raadsleden en externe leden die voor een gemeente werkt en veelal het doen van onderzoek uitbesteedt; b. de volledig door externen bemenste commissie die voor meerdere gemeenten werkt en tenslotte c. de rekenkamer die zelf het onderzoek uitvoert (en die we aantreffen bij de provincies en enkele grote steden).
Volgens 60% van de respondenten gaat alleen al van het bestaan van de rekenkamer(commissie) een ‘’preventieve’’ werking uit. Zo is soms enkel de aankondiging van een (voor)onderzoek door een rekenkamer(commissie) voldoende om een bestuurscollege zelf op korte termijn met acties c.q. een verbeterplan te laten komen.
2. Tevredenheid bij gemeentelijke actoren over werkwijze en resultaten van rekenkamers
De oordelen van raadsleden, collegeleden en ambtenaren over het functioneren van gemeentelijke rekenkamer(commissie)s zijn verzameld uit de zogenaamde Quick Scans lokaal bestuur. Deze kwalitatieve oordelen door gebruikers enerzijds (raadsleden 84% tevreden tot zeer tevreden), griffiers (77% tevreden) en onderzochten (collegeleden 69% en ambtenaren 73%) zijn positief. Op basis daarvan valt te concluderen dat er een toegevoegde waarde wordt toegekend aan het werk van rekenkamer(commissie)s.
N.B. Het gaat bij de verzamelde Quick Scans om de geaggregeerde oordelen van 54 (middelgrote en kleinere) gemeenten in de periode januari 2007 tot juli 2009.
3. Onafhankelijkheid weegt zwaar
Rekenkamer(commissie)s zijn onafhankelijk, met uitzondering van de bepaling van het eigen budget. Voor 30% van de onderzochte rekenkamer(commissie)s is de financiële afhankelijkheid van gemeente/provincie een probleem. Recente bezuinigingen op rekenkamer(commissie)s, en voorstellen daartoe, laten zien dat de budgetten ook hier, soms onevenredig, worden gekort.
Onafhankelijkheid betekent niet dat er ook grote distantie moet zijn tussen onderzochte en onderzoeker. Om goed rekenkamerwerk te leveren en om dat werk geaccepteerd te krijgen moeten betrokkenen elkaar weten te vinden. De omvang en kwaliteit van de input voor onderzoeksonderwerpen vanuit zowel raad/Staten als vanuit burgers is voor verbetering vatbaar.
4. Rol bij onderzoek is in ontwikkeling
Uit het onderzoek komen ook onderwerpen naar voren waarover de respondenten verdeeld zijn. Verreweg de meeste rekenkameronderzoeken hebben een evaluatief (ex post) karakter. Er is verdeeldheid over de vraag of rekenkamer(commissie)s ook ex ante (voorafgaand aan een te nemen bestuursbesluit) onderzoeken moeten uitvoeren: 1/3 van de rekenkamer(commissie)s zegt ja en 2/3 zegt nee.
Over het antwoord op de vraag op welke wijze de doorwerking van rekenkamerrapporten kan worden bevorderd lopen de meningen uiteen. Hier ligt ook een taak van de gemeentebesturen c.q. Provinciale Staten zelf, dan wel hun griffies, om alert te blijven dat de bestuurders de aanbevelingen van rekenkamers in effectieve acties omzetten.
5. Maatwerk is geboden
De NVRR concludeert op basis van het onderzoek en de huidige praktijk dat er geen blauwdruk is voor succes van rekenkamer(commissie)s. Maatwerk is het credo. De meeste rekenkamer(commissie)s willen bijdragen aan ‘’leren’’ en beschouwen zich niet als een orgaan om ‘’af te rekenen’’. Het is aan de raden/Provinciale Staten om op basis van de rekenkamerrapporten politieke conclusies te trekken. De bijdrage aan ‘’leren’’ krijgt dan ook het beste gestalte als daarbij ingespeeld kan worden op lokale kenmerken en behoeften.
Uiteraard behoren professionaliteit en (personele) kwaliteit, goede communicatie en voldoende onderzoeksbudget tot de gereedschapskist van rekenkamers om hun werk naar behoren te kunnen doen.
Reactie bestuur NVRR op het onderzoek
In relatief korte tijd hebben rekenkamer(commissie)s zich een positie verworven waarin ze bijdragen aan de kwaliteit van bestuur en beleid. Het bestuur van de Nvrr is van mening dat de uitkomsten van dit onderzoek een goede basis bieden om te werken aan verbeteringen aan het functioneren van rekenkamer(commissie)s. De daartoe ingestelde commissie Kwaliteitszorg van de NVRR heeft de mogelijkheden daartoe al onderzocht en gaat deze verder uitwerken. Ook vragen over het functioneren van rekenkamers, die met het onderzoek van Byond nog niet zijn beantwoord, kunnen in deze uitwerking worden meegenomen.
Discussie met de leden op ALV 18 maart
Op de Algemene Ledenvergadering van 18 maart a.s. in Amersfoort worden de resultaten van het onderzoek met de leden besproken. Een belangrijk onderdeel van de bespreking zal naar verwachting ook zijn het standpunt van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten die pleit voor het afschaffen van de verplichting tot het hebben van een rekenkamerfunctie voor gemeenten onder de 60.000 inwoners. Alle gemeenten die dan, vrijwillig dan wel verplicht, een rekenkamer hebben, moeten in de optiek van de VNG kiezen voor het wettelijke rekenkamermodel.
Daar waar rekenkamers om bepaalde lokale redenen deskundigheid en capaciteit willen bundelen, kunnen vormen van samenwerking en verdergaande kennisuitwisseling tussen rekenkamers een goede mogelijkheid bieden om de kwaliteit van het rekenkamerwerk te waarborgen.
Gemeenten met minder dan 60.000 inwoners werken in toenemende mate samen om zowel lokale als bovenlokaal tot een goede uitvoering van (rijks)beleid te komen. Deze samenwerking krijgt vorm als gemeenschappelijke regeling dan wel in Shared Services verband. De behoefte van raadsleden om greep te houden op deze vormen van op afstand geplaatste beleidsvoering is groot. Rekenkamercommissies hebben een belangrijke functie in het tegemoet komen aan deze informatiebehoefte. De rekenkamercommissie is één van de middelen die de aan deze samenwerking deelnemende gemeente(raden) hebben om goed geïnformeerd te zijn over de resultaten van deze (intergemeentelijke) samenwerking.
Op basis hiervan is de Nvrr van mening dat er een uniforme systematiek moet blijven en dat elke gemeenteraad c.q. Provinciale Staten een wettelijk verankerd recht heeft op een goed functionerende rekenkamer(commissie). De keus om hierbij samen te werken dient een eigen, autonome keuze te blijven.
Achtergrond van het onderzoek
Rekenkamer(commissie)s zijn een uitvloeisel van de invoering van het dualisme in het gemeentelijk en provinciaal bestuur in 2002. Sinds 2006 moeten alle gemeenten en provincies een rekenkamer of de variant daarop, de rekenkamercommissie, hebben. Rekenkamer(commissie)s hebben als doel het gevoerde bestuur en beleid van gemeente- en provinciebesturen te toetsen op doeltreffendheid, doelmatigheid en rechtmatigheid. De onderzoeken worden aangeboden aan de gemeenteraden c.q. Provinciale Staten, die daar veelal een besluit over nemen. Deze rapporten kunnen daarmee de controlerende rol van deze organen versterken en bijdragen aan de verbetering van bestuur en beleid.
Elke gemeenteraad en Provinciale Staten besluit zelf over vorm, budget en personele bezetting van de rekenkamer. Er is een vast wettelijk model, genaamd de rekenkamer, en een model, de rekenkamercommissie, waarbij een gemeenteraad zelf een aantal keuzes kan maken (bijv. qua personele samenstelling) en deze keuzes in een verordening vastlegt. Provinciale Staten c.q. de gemeenteraad kunnen kiezen welk model ze willen hanteren. Zowel rekenkamers als rekenkamercommissies zijn onafhankelijk in hun functioneren en bepalen zelf welke onderwerpen worden onderzocht.
De meeste rekenkamer(commissie)s zijn nu zo’n vijf jaar bezig met hun onderzoekswerk. Voor de NVRR een goed moment om feitelijk zicht te krijgen op het functioneren van rekenkamer(commissie)s en diverse institutionele aspecten daarvan.
Onderzoek Byond
Het onderzoek van Byond is uitgevoerd door middel van literatuurstudie (rekenkamerrapporten, zelfevaluaties van rekenkamer(commissie)s en andere literatuur), een enquête onder 101 rekenkamer(commissie)s en een aantal rondetafelgesprekken. Het onderzoek is uitgevoerd in het najaar van 2010.
Het onderzoek is begeleid door twee wetenschappers van de Rijksuniversiteit Groningen, resp. dr. M. Herweijer (bestuurskundige) en mr. dr. H.G. Warmelink (staatsrechtjurist), beiden verbonden aan de Faculteit Rechtsgeleerdheid.
Meer informatie?
Meer informatie over dit onderzoek bij het bestuur van de Nvrr. Het volledige rapport kunt u hier downloaden.
- de hr. Leo Markensteyn (voorzitter), tel. 06 – 502 542 32
- de hr. Gerrit Hagelstein (bestuurslid), tel. 06 – 551 212 81
Het secretariaat van de NVRR is te bereiken via 033 – 24 73 435