Weblog
Van harte aanbevolen – Rekenkamerrapport en wat dan?
Onlangs heb ik mogen presenteren op een bijeenkomst van het Actieprogramma Lokaal Bestuur (een voortzetting van het programma Vernieuwingsimpuls Dualisme en lokale democratie: een gezamenlijk initiatief van de VNG en het ministerie van BZK) in Almere. Centraal stond het thema wat - met name - de gemeenteraad nu moet en kan doen met rapporten van de rekenkamer.
In de voorbereiding op deze bijeenkomst ging ik voor mijn eigen situatie met 12 gemeenteraden en stadsdeelraden na wat deze nu zoal doen met mijn rekenkamerrapporten. Daarbij constateer(de) ik grote verschillen in aandacht, procedure en behandeling tussen deze 12 democratisch gekozen organen.
Sommigen (zoals Zaanstad) behandelen de rapporten volgens een vaste procedure, voelen de verantwoordelijk wethouder stevig aan de tand en nemen een helder besluit over de aanbevelingen en het vervolg.
Anderen (zoals Amsterdam) hebben hun weg met de behandeling, rol en betekenis van rapporten nog niet helemaal gevonden. Een dergelijke verscheidenheid bleek ook aan de hand op de bijeenkomst in Almere.
Zeer recent heeft de rekenkamer Barendrecht (jawel, de rekenkamer van de voormalig voorzitter van de NVRR en scheidend voorzitter van de betreffende rekenkamer en die van Rotterdam) een rapport gepubliceerd over de behandeling van rekenkamerrapporten in die gemeente. De conclusie op basis van 4 eerder gepubliceerde rapporten luidt dat het goed gaat met de behandeling in de raad van aanbevelingen en verbeteringen, maar dat de dialoog over de in de rapporten gesignaleerde tekortkomingen (“publieke verantwoording”) te wensen overlaat. Het rapport roept de raad op tot meer “publieke verantwoording”.
De constatering op zichzelf komt mij bekend voor: liever niet achterom kijken, het hoofd afwenden om niet “in de wond te hoeven kijken”, liever op zoek naar “pleisters” en zo snel mogelijk “de wond met pleisters afdekken”. Tot nu toe heb ik mijn raden evenwel niet opgeroepen tot meer “publieke verantwoording”, gelet op de volgende argumentatie.
Ten eerste is de raad baas in eigen huis; zij mag zelf bepalen wat ze met de rapporten doet (de raad is politiek, de rekenkamer niet).
Ten tweede: wat is nou eigenlijk “publieke verantwoording”? Betekent dit een “wethouderlijke boetedoening”, mondeling ten overstaan van de raad en in de openbaarheid, waarbij de rekenkamer nog eens in het gelijk wordt gesteld. Ten derde: met een bestuurlijke reactie die in het rapport is opgenomen, heeft het college (inclusief de verantwoordelijk wethouder) zich toch al “publiek verantwoord”?
Tenslotte (ik beperk me tot 4 redenen): hoe is het in de praktijk mogelijk om het wel over de aanbevelingen te hebben, maar daarbij de tekortkomingen, die eraan ten grondslag hebben gelegen, te negeren? In mijn visie zal de behandeling van aanbevelingen in vrijwel alle gevallen plaatsvinden tegen een (hoe beperkt ook) analyse van gesignaleerde tekortkomingen.
Al met al een aardige basis voor discussie. Ik ben zeer benieuwd van u te horen hoe u met dit dilemma omgaat.
Victor Eiff
voorzitter NVRR