Vijf vragen aan Erwin Derks, oud-voorzitter van de Rekenkamercommissie Zeist en lid Rekenkamer Hilversum

02-05-2016 | Door Verborgen | 0 Reacties

5 vragen aan: Erwin Derks, oud-voorzitter van de Rekenkamercommissie Zeist en lid Rekenkamer Hilversum, een van de genomineerden voor de Goudvink 2015, voor ‘De inzet van burger-wisselspelers’.

  1. De Rekenkamercommissie Zeist heeft de afgelopen jaren gewerkt met de inzet van een burger-wisselspeler bij het rekenkamerwerk. Welke gebeurtenissen/ontwikkelingen heeft de Rekenkamercommissie ertoe doen besluiten om op die manier met burgers te gaan werken?

    Een paar jaar geleden stonden we uitgebreid stil bij de vraag hoe we ons werk als rekenkamercommissie verder zouden kunnen ontwikkelen en vernieuwen. Eén van de thema’s was de zichtbaarheid van het rekenkamerwerk in de Zeister samenleving. We kenden op dat moment al de mogelijkheid om voor de duur van een onderzoek een extra raadslid toe te voegen aan de rekenkamercommissie, de raadslid-wisselspeler. We kwamen op de gedachte om daarnaast een inwoner van Zeist actief bij een onderzoek te betrekken. Zo is de raadslid-wisselspeler ‘geboren’.

    We hebben toen bij wijze van experiment in een paar onderzoeken ervaring opgedaan met burger-wisselspelers. Vervolgens hebben we hierover gerapporteerd aan de raad en heeft de raad het experiment omgezet in de structurele mogelijkheid om bij een rekenkameronderzoek een burger-wisselspeler in te zetten.

     
  2. Kun je voorbeelden geven hoe de inzet van burger-wisselspelers het werk/product van de Rekenkamer(commissie)s ten goede is gekomen?

    Neem onze eerste ervaring met een burger-wisselspeler. Het ging om een onderzoek naar de integratie van niet-westerse allochtonen. Door haar eigen activiteiten op dit terrein, kon onze wisselspeler ons in contact brengen met voor het onderzoek interessante personen en organisaties, die we anders veel moeilijker of niet bereikt zouden hebben. Dankzij haar hebben we ook oog gehad voor de betekenis van allerlei kleinschalige initiatieven en activiteiten, en hoe deze door de gemeente vergroot zou kunnen worden.

    En in ons onderzoek naar snelheidsremmende maatregelen hadden wij aan de burger-wisselspeler, die onder andere ervaring had als docent verkeerstechniek, een uitstekend klankbord voor zowel de andere leden van de rekenkamercommissie als het onderzoeksbureau. Dat was erg waardevol in de soms – inherent aan het onderzoeksonderwerp – nogal technische discussies
    .
     
  3. Is de inzet van een burger-wisselspeler ook van toegevoegde waarde als de Rekenkamercommissie al raadsleden als lid heeft, over het algemeen toch ook burgers van de gemeente?

    Jazeker! Onze ervaringen met de inbreng van raadsleden zijn erg positief, inclusief de mogelijkheid om een raadslid met specifieke affiniteit met het betreffende onderwerp bij een onderzoek te betrekken. Maar een burger-wisselspeler kan hier toch een ander perspectief aan toevoegen, door zijn of haar specifieke expertise met betrekking tot het onderzoekonderwerp. Bovendien kan juist de afwezigheid van binding met de gemeentelijke organisatie en gebrek aan ervaring met gemeentelijke processen tot een verfrissende blik en nieuwe inzichten voor de rekenkamercommissie leiden.

    Een extra toegevoegde waarde is dat de werving van de burger-wisselspeler meer aandacht in de lokale media genereert dan de gebruikelijke aankondiging van een rekenkameronderzoek (‘rekenkamer zoekt wisselspeler!’). De wisselspeler zelf maakt op een nieuwe manier kennis met het werk van de gemeente en de rekenkamercommissie, en draagt dat als het goed is na afloop van het onderzoek ook weer uit in de samenleving.

     
  4. Wat zijn do’s & don’ts bij het inzetten van burger-wisselspelers?

    We hebben geleerd dat het van belang is de burger-wisselspeler al aan boord te hebben in de fase dat een onderzoeksbureau wordt geselecteerd. Dan kan hij of zij het onderzoeksproces vanaf het begin meemaken en hierin meedenken. Het is ook zaak een goed gesprek te voeren over de wederzijdse verwachtingen. Vergeet niet dat het voor de wisselspeler even wennen is, zeker als hij of zij onbekend is met het rekenkamerwerk (“Goh, dus jullie doen veel meer dan alleen rekenen!?”). Soms moet dus enige schroom worden overwonnen. Het helpt dan om duidelijk te maken dat je juist op zoek bent naar een andere kijk op de zaak, en om in de rekenkamervergaderingen zelf de burger-wisselspeler steeds expliciet te vragen naar zijn of haar mening.

    Juist omdat je op zoek bent naar een frisse blik of een onverwachte invalshoek, moet je voorkomen dat je in de werving van de wisselspeler ‘valt’ voor een kandidaat die ook naadloos als vast lid van de rekenkamer zou kunnen fungeren. Je bent immers niet op zoek naar nog een onderzoeksexpert of iemand die alles van gemeenten weet, maar naar een betrokken inwoner van Zeist die verbinding heeft met het onderzoekonderwerp en nieuwsgierig is naar het rekenkamerwerk. Natuurlijk moet je er daarbij wel op letten dat de wisselspeler geen eigen belang te behartigen heeft. En ja, je moet er wel wat voor doen: het werven en aanstellen van een burger-wisselspeler kost extra tijd, van het plaatsen van een advertentie (ook via social media!) tot het voeren van gesprekken met enkele kandidaten (onze ervaring: drie korte gesprekken achter elkaar in de rekenkamervergadering en dan meteen kiezen werkt het beste) en de officiële installatie in een raadsvergadering.

    Tot slot nog een tip: laat de burger-wisselspeler bij de presentatie van de onderzoeksresultaten in de raad zelf vertellen over zijn ervaringen als wisselspeler: het blijkt leuk en leerzaam om het ook hier net anders te doen dan gebruikelijk!

     
  5. Welke richting zie je het rekenkamerwerk opgaan en welke zou het volgens jou op moeten gaan?

    Soms zie ik rekenkamers worstelen met hun (on)zichtbaarheid of beperkte ontvankelijkheid voor onderzoeksresultaten bij het college en zelfs de raad. Dat is zonde, maar vaak de rekenkamer zelf ook deels aan te rekenen. Effectiviteit van je werk vraagt veel meer dan gedegen onderzoek doen en een mooi rapport uitbrengen; de interactie met raad, college en ambtelijke organisatie krijgt in mijn ogen echter niet altijd genoeg aandacht. Voer bijvoorbeeld rustig een gesprek met de ambtelijke organisatie na het uitbrengen van je feitenrapport en voordat je je conclusies en aanbevelingen formuleert, en licht je conclusies en aanbevelingen rustig toe in een collegevergadering. Dit hoeft je onafhankelijkheid geenszins aan te tasten (je bent er immers zelf bij!), terwijl het je impact als ‘kritische vriend’ behoorlijk kan vergroten. Hierin (blijven) investeren is in mijn ogen dus cruciaal, en levert veel meer op dan structuurdiscussies of het bij wet willen vastleggen van een minimumbudget.