Vijf vragen aan Francine Giskes, collegelid Algemene Rekenkamer en bestuurslid NVRR

04-08-2016 | Door NVRR secretariaat | 0 Reacties

Vijf vragen aan Francine Giskes, collegelid Algemene Rekenkamer en bestuurslid NVRR.

U bent nu ruim 100 dagen bestuurslid van de NVRR en vanaf 15 oktober 2015 collegelid van de Algemene Rekenkamer. Daarvoor bent u onder andere burgemeester geweest van de gemeente Texel. Wij willen u de volgende vragen voorleggen over uw kennismaking met de Algemene Rekenkamer en de decentrale rekenkamers.

1.In welke mate had u, toen u burgemeester van Texel was, last en/of plezier van de lokale rekenkamer?

Het burgemeesterschap, dat ik met veel plezier op Texel vervulde, omvat natuurlijk heel veel zaken.  En heel eerlijk gezegd zat ik toen niet altijd te wachten op een “meekijkende” rekenkamer! Dat illustreert bij uitstek hoe theorie en praktijk elkaar wel eens in de weg willen zitten. Want natuurlijk ben ik groot voorstander van rekenkamers. Zij zijn, als onafhankelijke ogen en oren voor de volksvertegenwoordiging, een onmisbaar onderdeel van ons systeem van checks & balances in het openbaar bestuur. En de burgemeester is als voorzitter van de gemeenteraad gebaat bij een goede informatiepositie van die raad. Maar, op basis van een gedachte die ik nog steeds niet helemaal begrijp en die ik niet bepaald gelukkig vind, is de (benoemde!) burgemeester tegelijkertijd lid van het college en als zodanig medeverantwoordelijk voor het door dat college gevoerde en door de raad gecontroleerde beleid. Juist vanuit die, behoorlijk in beslag nemende, bestuurlijke positie heeft zelfs een burgemeester niet altijd behoefte aan nòg meer controleurs naast de gemeenteraad…

Tijdens mijn burgemeesterschap is sprake geweest van een overgang van een eigen gemeentelijke naar een intergemeentelijke Wadden-rekenkamer. De eerste heeft in de loop der jaren een flink aantal doorgaans nuttige en bruikbare onderzoeken gedaan – veelal met ambtelijke ondersteuning. Van de laatste heb ik als burgemeester geen producten meer meegekregen. Door de samenwerking met de andere eilanden kon de rekenkamerfunctie verder worden geprofessionaliseerd.

2.Wat waren uw verwachtingen van het lidmaatschap van het college van de Algemene Rekenkamer? Zijn die verwachtingen uitgekomen?

Door mijn lidmaatschap van de Tweede Kamer (1994-2004), deel uitmakend van o.a. de Commissies Financiën en (toen nog apart) Rijksuitgaven, was ik al goed bekend met het werk van de Algemene Rekenkamer. Ik vind het een eer benoemd te zijn tot lid van dit Hoge College van Staat. Mijn verwachting was dat ik daarmee op een plek kwam van waaruit ik een wezenlijke bijdrage kan leveren aan het functioneren en presteren van de overheid, geïnspireerd door en gebaseerd op mijn ervaringen als burger, ambtenaar, volksvertegenwoordiger en bestuurder. Die verwachting komt uit, al is ook hier zeker nog wel wat werk aan de winkel.

3.Zijn er zaken die u bij de AR en NVRR/decentrale rekenkamers aantrof waar u zich hogelijk over verbaasd hebt? En zaken waar u blij verrast door was?

Wat mij betreft is een rekenkamer een zinderend(e) onderzoeksfabriek(je). Daarmee bedoel ik dat daar mensen actief zijn die niets liever doen dan uitzoeken hoe iets werkelijk zit - met besef van en begrip voor de bestuurlijke wereld die ze onderzoeken. Ik loop nog te kort rond om te kunnen claimen de wereld van de decentrale rekenkamer(commissie)s voldoende doorgrond te hebben om dat voor alle NVRR-leden te kunnen beoordelen. Maar bij de Algemene Rekenkamer geldt mijns inziens in elk geval dat het merendeel van de medewerkers met die instelling aan het werk is. Dat was niet zozeer een verrassing, als wel een prettige bevestiging van wat ik hoopte aan te treffen. Dat neemt niet weg dat ik in mijn eerste 100 dagen ook dingen heb gezien die naar mijn mening anders  kunnen of zelfs moeten.

Het bestuur van de NVRR (waarin ik de positie namens de AR van Arno Visser overnam) en het najaarscongres waren mijn eerste kennismakingen met de ‘decentrale rekenkamergemeenschap’. Wat me daarbij is opgevallen is om te beginnen de bevlogenheid van vrijwel iedereen. Wat me niet meeviel was de (sfeer van) de Algemene Ledenvergadering. Ik begrijp goed dat een aantal recente ontwikkelingen en discussies hier debet aan zijn. Dat neemt mijns inziens niet weg dat bestuur èn leden wel wat meer zouden kunnen werken aan het wij-gevoel dat nodig is om effectief naar buiten te kunnen opereren.

4.Wat is uw mening over de opvatting van de VNG Denktank 2016 dat gemeenteraden kleiner moeten zijn, maar wel een betere ondersteuning verdienen door griffie en rekenkamers?

Ik vermoed dat de gedachte van kleinere gemeenteraden vooral is ingegeven door een beoogde uitruil van middelen: minder vergoedingen voor leden en meer geld voor ondersteuning. Ik ben er nog niet van overtuigd dat dat de oplossing is voor het door de Denktank gesignaleerde kwaliteitsprobleem. Een betere ondersteuning van de raadsleden is mijns inziens zeker gewenst. Waar het gaat om feitelijke informatie kan die ondersteuning zeker van de griffie komen. En rekenkamers zouden, in een tijd van verdergaande decentralisatie en dus toenemende (financiële) verantwoordelijkheid van de raad, ook meer moeten kunnen doen. Tegelijkertijd lijkt mij dat raadsleden ook wat meer financiële armslag moeten krijgen om zelf hun onderzoekswerk te (laten) doen. Het is eigenlijk nogal vreemd dat hoe kleiner de gemeente, des te lager de vergoedingen voor de raadsleden èn des te minder de ruimte voor ondersteuning zijn. Terwijl hetgeen van de raadsleden wordt gevraagd niet wezenlijk verschilt. Geld moet niet het belangrijkste motief voor een raadslidmaatschap zijn, maar het moet wel een reële mogelijkheid zijn om daar -  ten koste van andere (werk)bezigheden - tijd en energie aan te besteden. Alleen dan valt te rekenen op voldoende kwaliteit in het raadswerk. Er zou dus wat mij betreft nog eens goed moeten worden gekeken naar het hele bouwwerk van vergoedingen en middelen rond de gemeenteraad. Dat zou budgettaire gevolgen kunnen hebben. In een tijd waarin we de betrokkenheid van burgers, o.a. via hun vertegenwoordigers in de gemeenteraden,  hoog in het vaandel hebben, is dat misschien onvermijdelijk.

5.Welke vergezichten ziet u voor de toekomst van decentrale rekenkamers?

Voor zover dat niet al het geval is, dienen de decentrale rekenkamers zich bewust te zijn van de toenemende verantwoordelijkheden, financieel en anderszins, in het gemeentelijk domein. Hun rol zal mijns inziens alleen maar groter worden. Dat stelt steeds hogere eisen aan de kwaliteit van het geleverde werk. Ook zullen de decentrale rekenkamers, evenals de Algemene Rekenkamer, zich moeten bekwamen in nieuwe onderzoeksmethoden en –technieken en blijven nadenken over hoe ze hun effectiviteit zo groot mogelijk maken. Ik roep daarnaast iedereen op wel steeds recht te doen aan de omstandigheden waaronder de onderzochte instanties/personen hun werk moeten doen. Dat blijft in mijn ogen een noodzakelijke voorwaarde voor rekenkamerproducten van kwaliteit en met overtuigingskracht.