Vijf vragen aan Paul Hofstra

14-09-2017 | Door NVRR | 0 Reacties

Vijf vragen aan Paul Hofstra met betrekking tot het ICT onderzoek van rekenkamer Rotterdam.

1. In hoeverre was tijdens aankondiging en/of uitvoering van het onderzoek, of fase van wederhoor te merken dat het college moeite zou hebben met het onderzoek, de resultaten en/of publicatie ervan?
Er is gedurende het gehele onderzoekstraject van zowel ambtelijke als bestuurlijke zijde coöperatief meegewerkt aan de uitvoering van het onderzoek naar informatiebeveiliging. Ook werden alle conclusies en aanbevelingen gedeeld en overgenomen door het college. In de aanloop naar de bestuurlijke afstemming tussen rekenkamer en college werd het duidelijk dat de gemeente grote moeite had met het openbaar maken van het onderzoeksrapport.

2. Op welke (wettelijke) gronden meende het college publicatie deels of geheel tegen te kunnen houden?
Dat is de rekenkamer nooit geheel duidelijk geworden. Er was immers onvoldoende wettelijke grond aanwezig om openbaarmaking van het rapport op basis van de gemeentewet en wet openbaarheid van bestuur tegen te houden. De argumentatie van het college kwam feitelijk neer op het verwijt van (bewuste) uitlokking door de rekenkamer en daarmee het in gevaar brengen van stad en burger. 

3. Welke overwegingen heeft de rekenkamer gehad om publicatie van het rapport (korte tijd) aan te houden?
Nieuwe informatie van de zijde van het college.

4. De rekenkamer heeft advies ingewonnen in die tijd dat het rapport werd aangehouden. Wat heeft dat aan (wettelijke) overwegingen opgeleverd met  betrekking tot publicatie van dit rapport?
De rekenkamer heeft alle door het college betwiste informatie (nogmaals) zorgvuldig gescreend en op basis daarvan alle informatie geschrapt, die strikt genomen niet nodig was om de conclusies van het rapport te onderbouwen. Deze aanvullende kwaliteitstoets bleek uiteindelijk te resulteren in een relatief geringe aanpassing van de voorgenomen publicatietekst. 

5. Voor zover bekend uit de pers is kort na publicatie van het rapport een aanzienlijk bedrag vrij gemaakt om de aanbevelingen van de rekenkamer uit te voeren. Hoe verhoudt zich dat tot de aanvankelijke weerstand tegen publicatie?
De rekenkamer veronderstelt dat alle commotie rond het rapport als gevolg van de weerstand tot publicatie uiteindelijk mede heeft geleid tot het structureel beschikbaar stellen van €2 mln. per jaar en het optuigen van een meerjarig programma om de aanbevelingen van de rekenkamer de komende jaren te implementeren.