PB: Conclusies uit het rapport "Naar een noordelijke kenniseconomie"

12-06-2013 | Nieuwsbericht

Assen – 11 juni 2013
Bij projecten die de noordelijke kenniseconomie moeten bevorderen zijn veel partijen betrokken met een onduidelijke taakafbakening. Informatie over de prestaties van door de drie provincies gesubsidieerde stichtingen voor het aanjagen en afstemmen van projecten is beperkt. Het beslag op provinciale middelen is in de afgelopen acht jaar verdrievoudigd. De sturing van de provincies bij deze op afstand geplaatste instellingen is wisselend, maar doorgaans beperkt. Acht van de negen onderzochte kennisprojecten zijn niet binnen de geplande termijn afgerond. Projecten gericht op fundamenteel onderzoek zijn minder succesvol dan projecten op het gebied van onderwijs en technische toepassingen van kennis. Dit zijn conclusies van de Noordelijke Rekenkamer in het rapport “Naar een noordelijke kenniseconomie”.

Kenniseconomie
De provincies Drenthe, Fryslân en Groningen willen de transitie naar een kenniseconomie versnellen. Wanneer bedrijven, kennisinstellingen (universiteiten, HBO’s, onderzoeksinstituten) en overheden in clusters samenwerken kunnen werkgelegenheid en economische groei bevorderd worden, zo wordt verondersteld. Drie belangrijke kennisgebieden in het Noorden zijn: sensortechnologie, watertechnologie en energie.

Om partijen bij elkaar te brengen, projecten te ontwikkelen, de clusters te promoten (‘branding’) en subsidies te verwerven zijn clusterorganisaties opgericht. Voor sensortechnologie is dat de Stichting Sensor Universe (SSU), voor watertechnologie de Stichting Water Alliance (SWA) en voor energie de Stichting Energy Valley (SEV). De provincies geven subsidie aan deze stichtingen en aan kennisprojecten. De drie provincies hebben zelf en via het Samenwerkingsverband Noord Nederland in de periode 2003-2011 meer dan € 200 miljoen bijgedragen aan de clusterorganisaties en kennisprojecten.

De Noordelijke Rekenkamer heeft onderzocht hoe deze clusterorganisaties zijn georganiseerd en welke positie de provincies innemen ten opzichte van deze organisaties. Daarnaast heeft de Rekenkamer binnen elk cluster drie projecten bestudeerd om te bezien of de provinciale subsidies de gewenste resultaten opleveren.

Clusterorganisaties
De taakverdeling is niet duidelijk: niet alleen de clusterorganisaties maar ook andere partijen zoals de Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij (NOM) en de provincies zelf houden zich bezig met het ‘bij elkaar brengen van partijen’ en projectontwikkeling. De provincies opereren binnen een spanningsveld tussen enerzijds afstandelijkheid ten opzichte van de gesubsidieerde clusterorganisaties en anderzijds betrokkenheid bij de activiteiten van deze organisaties. De provincies sturen met name langs informele kanalen; voor Statenleden zijn de clusterorganisaties minder transparant. Het is lastig een realistisch zicht te krijgen op de prestaties van de clusterorganisaties. De stichtingen refereren in voortgangsrapportages vooral aan successen en toekomstplannen. De kans van mislukkingen te leren wordt niet benut. Het beslag van de drie clusterorganisaties op provinciale middelen is de afgelopen acht jaar verdrievoudigd.

Projecten
Binnen elk cluster zijn drie projecten bestudeerd op het gebied van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek, wetenschappelijk onderwijs en kennistoepassing. De projecten op het gebied van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek voldoen niet aan de verwachtingen. Verder stelt de Rekenkamer vast dat het opzetten van opleidingen vele jaren kost. De studentenaantallen van opleidingen voor sensor- en watertechnologie blijven achter bij de prognoses. Toegepaste kennisprojecten blijken relatief succesvol. Acht van de negen projecten zijn niet binnen de afgesproken termijn afgerond. Werkgelegenheidseffecten blijven doorgaans ver achter bij de verwachtingen.

Reactie van de drie noordelijke provincies
De provincies stemmen in met de meeste conclusies en aanbevelingen. Zij plaatsen wel vraagtekens bij de mogelijkheid tot het sturen op resultaat in het innovatiebeleid. De provincies zeggen toe strenger te gaan toezien op de kwaliteit van externe rapportages over prestaties van de clusterorganisaties. Ook zullen de resultaten van een aantal belangrijke projecten over een langere termijn worden gevolgd.


Meer informatie