Skip to main content

De verhouding van de rekenkamer t.o.v. de interne organisatie door Frank Galesloot

Inleiding

Gemeentelijke en provinciale rekenkamers1 functioneren ten dienste van het bestuur, gemeenteraden en provinciale staten. Ze staan, meer nog dan de griffies, buiten de organisatie. Dit betekent echter niet dat de rekenkamer zich afzijdig moet houden van de ambtelijke organisatie en geen oordeel mag hebben over de checks and balances daarin. In deze blog wordt gesteld dat de rekenkamer goed moet nadenken hoe ze zich verhoudt tot die organisatie en hoe ze ermee samenwerkt in een proces van wederzijdse afstemming en met respect voor de verschillende rollen. Om dit te kunnen doen heeft de rekenkamer algemene kennis nodig van dit soort organisaties en is het nodig om die te vertalen naar de eigen praktijk: hoe werkt het in onze gemeente of provincie. Want er is weinig standaard. Deze blog wil daarvoor een handreiking doen.

Kerntaak rekenkamer

De hoofdtaak van de rekenkamer is het doen van onderzoek naar het gevoerde bestuur, waarbij hoofdthema’s zijn of dat besturen doeltreffend, doelmatig en rechtmatig wordt gedaan. Kijken we naar de missie/visie documenten van rekenkamers dan zien we daar dan ook vaak als opgave: het bijdragen aan de bestuurskracht van de gemeente of provincie. Bestuurskracht gaat over de wijze van vormgeving van beleid en uitvoering en de controle daarop met inachtneming van de risico’s. Het onderzoeken van het gevoerde bestuur betreft natuurlijk primair het themagewijs evalueren van beleid en uitvoering. Maar dit heeft alleen zin als de rekenkamer ook na is gegaan, hoe de organisatie is ingericht en uitgelijnd om te sturen op het bereiken van die beleidsdoelen. Welke maatregelen zijn door het bestuur genomen om te zorgen dat de organisatie gezond blijft en worden de risico’s die het behalen van beleidsdoelen in de weg staan onderkend? Hierbij raakt de kerntaak van de rekenkamer het functioneren van de interne organisatie.

Verantwoordelijkheid/scope rekenkamer

Een lokale rekenkamer heeft niet dezelfde verantwoordelijkheden, positie, middelen en bevoegdheden als de Algemene Rekenkamer. De lokale rekenkamer is met name thematisch gericht en kan geen verantwoordelijkheid dragen voor het in control zijn op de rechtmatigheid, de risico’s en de bedrijfsvoering van het bestuur. Zij is ook geen toezichthoudend orgaan, dat is de raad zelf.2

De rekenkamer draagt wel zoveel mogelijk bij aan bestuurskracht. Zonder een grotere verantwoordelijkheid te suggereren is het daarbij van belang dat zij nagaat hoe de organisatie is ingericht. De rekenkamer moet er op ingesteld zijn om het gemeentelijk systeem van in control zijn te doorgronden. Op basis daarvan kan de rekenkamer zelf bepalen hoe zij zich tot de verschillende spelers verhoudt, kan zij positie kiezen, meer gefundeerd onderzoeksprioriteiten stellen en afwegen welke activiteiten zij verricht binnen het control systeem.

Inrichtingsvereisten interne organisatie

De Gemeentewet en daarvan afgeleide regelgeving kent geen voorgeschreven inrichting voor de interne organisatie. Alleen de functies van gemeentesecretaris en griffier worden ambtelijk benoemd en geduid. Voor een rekenkamer relevante functies zoals een concerncontroller, een hoofd audit of een beleidscontroller3 komen namelijk niet standaard bij gemeenten voor en als de functies wel aanwezig zijn, zegt de benaming nog weinig over de werkelijke inhoud en positionering van die functies. Hetzelfde geldt voor systemen en maatregelen die een gemeente treft om in control te zijn; er is een enorme diversiteit in ambitie en aanpak met betrekking tot bedrijfsdoorlichtingen, risico-management en audit. Als die functies er wel zijn, wil dat nog niet zeggen dat de organisatie in control is, want uiteindelijk bepaalt het senior-management en in mindere mate toch veelal het college wat er met de instrumenten en de resultaten van doorlichtingen wordt gedaan. Integraal management is in de meeste gemeenten toch wel hèt standaardprincipe voor besturing en beheersing.

De inrichting om in control te zijn bij een gemeente of provincie is derhalve maatwerk en ook wel kwetsbaar in tijden van bezuinigingen of bestuurlijke heroverweging. Een corporate governance code zoals veel branches in de not-for-profit-sector die kennen, ontbreekt in de sectoren gemeenten en provincies. Dat betekent dat functies die zorgen voor het in control zijn en die min of meer onafhankelijk kunnen signaleren niet standaard aanwezig zijn. Gelet op het leerstuk van het decentraal overheidsbestuur met lokale autonomie valt niet te verwachten dat dit gaat veranderen.

Artikel 212 Gemeentewet

De raad heeft ten aanzien van de inrichting van de organisatie een kaderstellende rol (en uiteraard de controletaak op de handhaving). Deze kaderstellende rol krijgt idealiter vorm en inhoud bij de meningsvorming rond de opstelling van de verordeningen die het financieel beleid en beheer, de controle en de onderzoeksfunctie regelen. Dit zijn de artikelen 212, 213 en 213a van de Gemeentewet:

De artikelen 213 en 213a zijn in een wiki belicht. Hier bespreken wij artikel 212, de zogenaamde financiële verordening. In artikel 212 wordt bepaald:

De raad stelt bij verordening de uitgangspunten voor het financieel beleid, alsmede voor het financieel beheer en voor de inrichting van de financiele organisatie vast. Deze verordening waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan.

Deze tekst is tamelijk financieel gericht. Toch gaat het hier niet louter om financiën maar om de inrichting van de organisatie die waarborgen moet bieden dat er rechtmatig wordt gehandeld, verantwoording kan worden afgelegd en controle mogelijk is. Hiervoor is nodig dat de organisatie aan een aantal randvoorwaarden voldoet. Welke zijn dat? De artikelen 24 (financiële organisatie) en 25 (interne controle) van de modelverordening 212 gaan hier nader op in. De zorgplicht voor een helder ingerichte organisatie en het doen verrichten van interne controle is belegd bij het college. In het oude model was het verplicht de inrichting in een organisatiebesluit vast te leggen en ter informatie te delen met de raad. Hoewel dit nu niet langer verplicht is, zal in de regel een organisatiebesluit worden opgesteld en met de raad, minimaal de auditcomissie, worden gedeeld. In het organisatiebesluit worden doorgaans de verantwoordelijkheden van portefeuillehouders, gemeentesecretaris/algemeen directeur, eenheidsmanagers (of directeuren) en hoofden van stafafdelingen (zoals een concerncontroller) geregeld.

Contactpersonen

De griffier en de ambtenaren van de griffie zijn de direct voor de hand liggende contactpersonen want zij leveren de ondersteuning voor de raad en de rekenkamer. In sommige gevallen is ook vanuit de organisatie van het college in ondersteuning voorzien, bijvoorbeeld vanuit een concerncontroller, die zich bezig houdt met onderzoek en advies naar het in control zijn van de organisatie en die relatief onafhankelijk in de organisatie staat. Veel gemeenten kennen een dergelijke functie, maar de invulling is overal anders.

Op basis van bestudering van de verordeningen en onderliggende uitwerkingen zoals het organisatiebesluit (vaak standaard aanwezig) en een control- en/of auditstatuut (niet standaard aanwezig) een statuut voor de controller en het reglement van de auditcommissie en een onderzoeksprogramma (213 a GW) kan de rekenkamer via een aantal korte gesprekken duidelijkheid verkrijgen over de wijze waarop de gemeente omgaat met het thema in control en het risico-management. De te zetten werkstappen betreffen:

Werkstappen

Gesprek met accountant op basis van de management-letter, of board-letter voor de raad, de brief waarin de accountant ingaat op de interne beheersing. Gesprek met functionarissen en eventueel collegeleden verantwoordelijk voor:

  • Beleidscoördinatie/beleidscontrol (laatste komt niet vaak voor…)
  • Concerncontrol
  • Audit – Secretariaat auditcommissie
  • Periodieke doorlichting (doelmatigheid en doeltreffendheid van beleid/bedrijfsvoering)
  • Risicomanagement, reikwijdte, systeem, processen, vastlegging
  • Integriteitsbeleid/-uitvoering
  • Interbestuurlijk (horizontaal) toezicht
  • Eventueel indien men dieper wil graven, ander systeembeleid, zoals HRM-beleid, subsidiebeleid, inkoop- en aanbestedingsbeleid en beleid ten aanzien van verbonden partijen.

Normaal is dat alle hierboven genoemde functies worden neergelegd bij een portefeuillehouder financiën. Als er stevig over nagedacht is wordt soms ook een portefeuille HRM erbij getrokken, veelal de verantwoordelijkheid van de burgemeester of de commissaris. Maar bijna standaard liggen de systeemrollen bij de wethouder financiën. Hoe dit uitpakt is lokaal gebonden en afhankelijk van de politieke visie en sturing van die wethouder en het college als geheel. De portefeuille wordt vaak gecombineerd met vakinhoudelijke portefeuilles. Dit is een risico (belangenvermenging). Colleges nemen hier doorgaans geen extra checks voor in acht.

Conclusies

Om zijn positie te bepalen in het interne krachtenveld is het van belang dat de rekenkamer minimaal in de opstartfase maar periodiek herhalend zich een beeld vormt van de opzet en het functioneren van de interne organisatie. Dit is niet alleen van belang voor het risicomanagement maar ook voor een adequate op maatschappelijke effecten en concrete resultaten gerichte planning & controlcyclus. De rekenkamer kan op basis van dit beeld bepalen welke functionarissen en welke afstemoverleggen zij periodiek wenst bij te wonen.

Door middel van het risicomanagementrapportagesysteem kan de rekenkamer zicht houden op majeure risico’s. Deze zijn input voor het onderzoeksprogramma (groslijst). Voordat een onderwerp wordt geselecteerd verdient het aanbeveling eerst te kijken of dit al in de interne onderzoeksprogrammering is meegenomen en zo ja met welke probleemstelling. Idealiter worden onderzoeksresultaten en plannen afgestemd in de auditcommissie. Hierin dient de rekenkamer vertegenwoordigd te zijn.

Noten

1. Met “rekenkamers” wordt in de tekst de rekenkamercommissie en -functie mede bedoeld. De uitwerking in deze wiki is op gemeenten gericht maar voor provinciale rekenkamers geldt hetzelfde.
2. De meningen verschillen of de controlerende taak van de raad samenvalt met het optreden als toezichthouder. Of is toezicht veel meer dan controle. Dit vereist een afzonderlijke bespreking.
3. Een beleidscontroller is een functie die mede zorg draagt dat beleidsvoorstellen passen in het programmatisch kader en de P & C – cyclus, zorgvuldig en met inachtneming van risico’s tot stand komen en haalbaar zijn qua uitvoering. De functie kan door een controller worden ingevoerd maar ook door een directiesecretaris of een strategisch adviseur in de bestuurlijke staf.

Frank Galesloot (bedrijfseconoom. registeraccountant en auditor) is sinds 2006 in de wereld van de gemeentelijke rekenkamers actief, met name in Hoogeveen, Heerenveen, Enschede en Almelo. Onlangs sloot hij zijn loopbaan als vaste concerncontroller af. Hij heeft nu een zzp praktijk voor onderzoek en advies, zie www.galesloot.org of LinkedIn. Blog versie 1.0 opgesteld in juni 2018.

Vijf vragen aan Paul Hofstra

Vijf vragen aan Paul Hofstra met betrekking tot het ICT onderzoek van rekenkamer Rotterdam.

1. In hoeverre was tijdens aankondiging en/of uitvoering van het onderzoek, of fase van wederhoor te merken dat het college moeite zou hebben met het onderzoek, de resultaten en/of publicatie ervan?
Er is gedurende het gehele onderzoekstraject van zowel ambtelijke als bestuurlijke zijde coöperatief meegewerkt aan de uitvoering van het onderzoek naar informatiebeveiliging. Ook werden alle conclusies en aanbevelingen gedeeld en overgenomen door het college. In de aanloop naar de bestuurlijke afstemming tussen rekenkamer en college werd het duidelijk dat de gemeente grote moeite had met het openbaar maken van het onderzoeksrapport.

2. Op welke (wettelijke) gronden meende het college publicatie deels of geheel tegen te kunnen houden?
Dat is de rekenkamer nooit geheel duidelijk geworden. Er was immers onvoldoende wettelijke grond aanwezig om openbaarmaking van het rapport op basis van de gemeentewet en wet openbaarheid van bestuur tegen te houden. De argumentatie van het college kwam feitelijk neer op het verwijt van (bewuste) uitlokking door de rekenkamer en daarmee het in gevaar brengen van stad en burger.

3. Welke overwegingen heeft de rekenkamer gehad om publicatie van het rapport (korte tijd) aan te houden?
Nieuwe informatie van de zijde van het college.

4. De rekenkamer heeft advies ingewonnen in die tijd dat het rapport werd aangehouden. Wat heeft dat aan (wettelijke) overwegingen opgeleverd met  betrekking tot publicatie van dit rapport?
De rekenkamer heeft alle door het college betwiste informatie (nogmaals) zorgvuldig gescreend en op basis daarvan alle informatie geschrapt, die strikt genomen niet nodig was om de conclusies van het rapport te onderbouwen. Deze aanvullende kwaliteitstoets bleek uiteindelijk te resulteren in een relatief geringe aanpassing van de voorgenomen publicatietekst.

5. Voor zover bekend uit de pers is kort na publicatie van het rapport een aanzienlijk bedrag vrij gemaakt om de aanbevelingen van de rekenkamer uit te voeren. Hoe verhoudt zich dat tot de aanvankelijke weerstand tegen publicatie?
De rekenkamer veronderstelt dat alle commotie rond het rapport als gevolg van de weerstand tot publicatie uiteindelijk mede heeft geleid tot het structureel beschikbaar stellen van €2 mln. per jaar en het optuigen van een meerjarig programma om de aanbevelingen van de rekenkamer de komende jaren te implementeren.

Vijf vragen aan Jeroen Kerseboom

1. Had je een of meerdere speciale redenen om plaats te nemen in het bestuur van de NVRR? Zo ja, wat is/zijn deze?

Ik werk op dit moment bij een provinciale rekenkamer (de Zuidelijke Rekenkamer), ik heb daarvoor bij de Algemene Rekenkamer gewerkt en in mijn vrije tijd zit ik bij twee rekenkamercommissies (Alblasserdam en Dordrecht). Het was dus onvermijdelijk…

2. Waarom heb je voor de portefeuille kwaliteit gekozen? Vind je dat rekenkamers daar uit zichzelf te weinig aan doen?

De ontwikkelingen in het openbaar bestuur, waarbij de overheid zich op nieuwe manieren tot haar burgers verhoudt en waarbij de rollen van gemeenteraden en Provinciale Staten veranderen, maken dat rekenkamers ook goed moeten nadenken over wat er voor hen verandert. Verandert onze rol? Gaan we naar andere dingen kijken? Gaan we dat op een andere manier doen? Verandert onze kijk op kwaliteit? Hoe onderzoek je de doeltreffendheid van beleid op terreinen waar de overheid geen inhoudelijke doelen meer stelt? Wat valt er allemaal te onderzoeken aan de netwerkendd overheid? De antwoorden op deze vragen zijn mede bepalend voor wat kwaliteit is. Om daar vanuit de NVRR aan mee te werken, vind ik super interessant.

3. Vivien van Geen, je voorganger op kwaliteitszorg, is in de vorige 5 vragen ingegaan op kwaliteit. Wat voor punten/uitdagingen heb je daar voor kwaliteitszorg voor rekenkamers uitgehaald?

Ik denk dat we een verschil moeten maken tussen zaken als de kwaliteiten van de procedures, de onderzoekstechniek, de timing en de lokale inbedding enerzijds en de kwaliteiten van de leden van de rekenkamer(commissie)s anderzijds. Iedereen is verschillend, dus het heeft geen zin een one size fits all-kwaliteitsbeleid op te stellen en uit te rollen. Ben ik helemaal met Vivien eens.
De grootte van een rekenkamer(commissie) en het budget kunnen uiteraard drukken op de ruimte om aan die eerste kwaliteiten te werken. Maar het belang van ons werk en de verantwoordelijkheid die je op je neemt als je lid wordt van een rekenkamer maken dat we, ongeacht de omvang van onze rekenkamer, ons moeten opstellen als professionals, en ons blijven ontwikkelen en aan kritische zelfreflectie doen.

4. Je bent werkzaam voor lokale rekenkamers en voor een provinciale rekenkamer. Ervaar je verschillen tussen die twee werelden? En zo ja, welke verschillen zijn dat?

Die werelden lijken behoorlijk op elkaar. De leden van Provinciale Staten en van gemeenteraden doen hun werk vaak als nevenfunctie; onze rapporten zijn een welkome ondersteuning van hun werk, heb ik het idee.
Ik denk dat gemeenten wel wat dichter bij de inwoners/burgers staan. Daardoor zie je wel dat de actualiteit er eerder de agenda bepaalt dan de plannen voor de toekomst. Ik denk dat provincies in dat laatste weer wat sterker zijn.

5. Plasterk heeft 15 februari laten weten van zins te zijn een wetsvoorstel voor te bereiden dat in het tweede kwartaal van 2017, na de verkiezinen wordt gepresenteerd. Uitvoering is voor het volgende kabinet. Wat zou je Plasterk willen aanraden in het wetsvoorstel te regelen?

Ik zou hem willen vragen om eens mee te denken met het voorstel voor de nieuwe Wet open overheid (de opvolger van de Wet openbaarheid van bestuur). Deze wet kan er onder andere toe leiden dat medewerkers van overheden en verbonden partijen niet mer het achterste van hun tong laten zien in rekenkameronderzoeken, omdat de verslagen van hun interviews openbaar zouden kunnen worden. Aan het wetsvoorstel is recent een uitzonderingsbepaling voor de Algemene Rekenkamer toegevoegd. Het lijkt me goed als die voor alle rekenkamers zou gelden.