Gemeenteraden gebrekkig geïnformeerd over stijgende kosten van jeugdzorg

De gemeenteraden in Wassenaar, Voorschoten, Oegstgeest en Leidschendam-Voorburg zijn in de periode van 2015 tot 2020 gebrekkig geïnformeerd over de stijgende kosten van jeugdzorg. Dit blijkt uit onderzoeksresultaten van de Rekenkamercommissie die op 8 juli 2021 werden gepubliceerd.

Haperende informatievoorziening

De informatievoorziening aan de raadsleden en burgercommissieleden haperde. Zo werd in alle vier gemeenten:

  • geen verklaring gegeven voor de stijging in het gebruik van specifieke jeugdzorg-producten (zoals Jeugd-GGZ);
  • geen nadere onderverdeling gemaakt van de kosten van jeugdzorg naar soort verwijzer en nauwelijks naar jeugdzorg-product;
  • onvoldoende toelichting gegeven over de relatie tussen doelstellingen, activiteiten, resultaten en beoogde maatschappelijke effecten van jeugdzorg.

Duiding en inzicht

De Rekenkamercommissie adviseert de gemeenteraden om de informatievoorziening over jeugdzorg zodanig te verbeteren, dat deze:

  • duiding geeft (bijvoorbeeld over stijging in het gebruik van specifieke jeugdzorg-producten);
  • inzicht biedt in de relatie tussen doelstellingen, activiteiten, kosten, resultaten en beoogde (maatschappelijke) effecten van jeugdzorg.

Oorzaken voor kostenstijging

In het onderzoek zijn ook de oorzaken in kaart gebracht van de kostenstijging van jeugdzorg in H10-gemeenten. Deze kostenstijging was 72% tot 91% in Wassenaar, Voorschoten en Leidschendam-Voorburg.

Inzicht en grip

De Rekenkamercommissie adviseert de gemeenteraden inzicht en grip te krijgen op:

  • de stijging in gemeentelijke verwijzing naar jeugdzorgtrajecten;
  • de jeugdzorg-producten met de grootste stijging en omvang van kosten.

Verzachtende omstandigheden

In 2015 werden gemeenten verantwoordelijk voor de uitvoering van jeugdzorg. Er was toen nog veel onduidelijk voor hen.

Meer info:

  • Brief aan gemeenteraden Wassenaar, Voorschoten, Oegstgeest en Leidschendam-Voorburg over onderzoeksresultaten
  • Gezamenlijk persbericht over kosten jeugdzorg in H10
  • Webpagina met alle achtergronden en documenten

Wetsvoorstel decentrale rekenkamerfuncties

Op 27 september a.s. staat de plenaire vergadering gepland voor behandeling in de Tweede Kamer over de wijziging van de Gemeentewet, de Provinciewet en de Comptabiliteitswet 2016 in verband met het afschaffen van de decentrale rekenkamerfunctie en het uitbreiden van de bevoegdheden van de rekenkamers (Wet versterking decentrale rekenkamers). We houden iedereen op de hoogte van de ontwikkelingen.

Rekenkamers ook voor waterschappen verplicht

Net als gemeenten en provincies worden waterschappen straks ook verplicht een rekenkamer in te stellen. Dit voorstel hebben ministers Ollongren van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Van Nieuwenhuizen van Infrastructuur en Waterstaat en Hoekstra van Financiën 17 juin naar de Tweede Kamer gestuurd.

Hieronder een link naar de tweede nota van wijziging op het wetsvoorstel versterking decentrale rekenkamers alsmede het persbericht.

Algemene Ledenvergadering 2 juli 2021

  • Datum: 2 juli 2021
  • Tijd: 10 uur

Geachte leden,

Het bestuur van de NVRR nodigt u van harte uit voor de Algemene ledenvergadering die zal plaatsvinden op vrijdag 2 juli 2021 via ZOOM.
Tijdens deze vergadering zal het bestuur onder meer de jaarrekening aan u voorleggen.

Tevens hebben we PBLQ bereid gevonden een presentatie te geven over de projectgroep lokale rekenkamers. Deze projectgroep wordt door het ministerie van BZK ingesteld. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de aanbevelingen van de onafhankelijke werkgroep lokale rekenkamers. De belangrijkste taken van de projectgroep zijn: het adviseren van gemeentebesturen die ondersteuning willen of kunnen gebruiken bij de inrichting en/of het functioneren van hun lokale rekenkamer en het versterken van de relatie met de raad en het college en het delen van kennis en informatie over de versterking van lokale rekenkamers, zodat andere gemeenten hiervan kunnen leren.

De concept agenda alsmede de onderliggende stukken zullen wij in de loop van volgende week aan u doen toekomen.

Met vriendelijke groet,

Etienne Lemmens
Secretaris NVRR

Aanmelden beste rekenkamerrapport (de Goudvink) kan tot half juli

De competitie voor de Goudvink, de NVRR-prijs voor het beste rekenkamerrapport/product, is weer gestart. De Goudvink is begonnen als een prijs voor het beste rapport, met name in technisch opzicht. De vink staat symbool voor het ‘afvinken’ van criteria waaraan het gevoerde bestuur moest voldoen. Langzamerhand zijn meer criteria mee gaan tellen voor de Goudvink. Zo is onder andere doorwerking een belangrijk item geworden in de jurering. Die ontwikkeling laat ook wel zien welke ontwikkeling rekenkamers sinds het begin van de NVRR, 18 jaar geleden, hebben doorgemaakt.

De beoordelingscriteria zijn het afgelopen jaar aangevuld met criteria over de relevantie van het onderzoek en het aspect ‘moed’ wordt meegewogen. De jury zal elk jaar op één bijzonder aspect inzoomen. De rapporten die daarop scoren krijgen een ‘eervolle vermelding’.
Nieuw in de aanmeldingsprocedure is dat anderen dan de rekenkamer(commissie) zelf mogen signaleren of er een goed rekenkamerrapport is gepubliceerd. Daarbij kan gedacht worden aan griffiers, raadsleden, burgemeesters enz. Het is dan aan de rekenkamer(commissie) zelf om zich aan te melden voor de procedure. Aanmelden kan via: https://www.nvrr.nl/actueel/goudvink/goudvink-2021/

Tot en met half juli kunnen rapporten aangemeld worden. Daarna worden in – oktober drie nominaties bekend gemaakt, die aan een jury worden voorgelegd. De jury bestaat uit een aantal stakeholders en experts uit het veld van openbaar bestuur en toezicht. De jury is als volgt samengesteld:

  • Koos Janssen, burgemeester van Zeist
  • Peter van der Knaap, directeur/bestuurder Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid, Den Haag
  • Klaartje Peters, bijzonder hoogleraar Lokaal en regionaal bestuur, Universiteit Maastricht
  • Peter Peeters, raadsgriffier Brunssum
  • Henk Wokke, voorzitter Rekenkamercommissie Koggenland
  • Hans Bekkers, redacteur en coördinator magazine bij Binnenlands Bestuur

Op de ALV van de NVRR in november wordt vervolgens de Goudvink voor het beste rapport uitgereikt.

‘Het bestuur van Rotterdam is zwakker geworden’

Zo dadelijk een gewetensvraag voor Paul Hofstra (66), vertrekkend directeur van de Rekenkamer Rotterdam, die tevens vijf regiogemeenten omvat. Ruim honderd kritische onderzoeken in twaalf jaar heeft de Rekenkamer onder zijn leiding verricht. In Rotterdam bijvoorbeeld naar oneigenlijke werkdruk op ambtenaren, de omstreden Woonvisie, genegeerde risico’s bij het Warmtebedrijf. Terugkerende fouten zijn „systeemdenken” en „bestuurlijke overmoed”, bleek uit een analyse.

„Het was meer dan een functie”, vertelt Hofstra in zijn werkkamer, „het was bijna een missie om het openbaar bestuur te verbeteren.”

Bent u geslaagd in uw missie?

„Daar heb ik over nagedacht en ik ben bang dat ik daarin tekort ben geschoten. Na twee termijnen zie je jezelf graag als iemand die een grote impact heeft gehad op het openbaar bestuur. Maar in mijn ogen is dat bestuur in Rotterdam in die twaalf jaar over de hele linie eerder zwakker geworden qua checks and balances.”

Heeft u het over een ‘oude bestuurscultuur’, zoals in politiek Den Haag?

„Het heeft te maken met de ontwikkeling van bestuurlijk Nederland. Het is de toestand waarin meer gemeentebesturen zich bevinden. De versplintering en polarisatie in de Rotterdamse gemeenteraad zijn aanzienlijk toegenomen. De verhouding tussen coalitie en oppositie is verscherpt: dat zie je terug in de beruchte stemmingen van 23 tegen 22 zetels. Het gevolg is minder dualisme en minder controle door de gemeenteraad als orgaan. Dat geeft het college van burgemeester en wethouders en hun ambtenaren meer ruimte en macht. Voor de stad is dat niet goed, want macht moet gecontroleerd worden. Macht corrumpeert en dat kan behoorlijk grote gevolgen hebben.”

Op 1 juni neemt Hofstra na twee termijnen afscheid. Hij wordt opgevolgd door Marjolein van Asselt (52), hoogleraar ‘risk governance’ aan de Universiteit Maastricht en lid van de Onderzoeksraad voor Veiligheid. Van rustig afbouwen is het niet echt gekomen. Vorige week haalde Hofstra nog de landelijke media met scherpe kritiek op het plan voor het nieuwe Feyenoord-stadion, dat 441 miljoen euro moet kosten. Deze week moet nog een onderzoek naar de aanpak van ondermijnende criminaliteit eruit.

Hofstra is van plan een boek te schrijven over zijn werk in de afgelopen twaalf jaar. „Als Rekenkamer-directeur moet je altijd onafhankelijk en neutraal blijven. Straks kan ik meer kleuring geven aan hoe dat allemaal werkt in zo’n gemeente.”

Als ‘Rekenmeester’ botste Hofstra regelmatig met het stadhuis. Zijn werk werd in de gemeenteraad zeer gewaardeerd, bleek bij een evaluatie in 2014. Wel drukte de Rekenkamer zich „soms steviger” uit dan nodig, en de goede relatie van Hofstra met de pers was een „gevoelige kwestie”.

„Daar heb ik kennis van genomen, om het zo maar te zeggen. Kom op, als Rekenkamer-directeur kun je niet aan de leiband van wie dan ook gaan lopen. Dan kun je de tent wel sluiten.”

De kritiek uit het stadhuis is: deze directeur heeft geldingsdrang en zet zijn persberichten te zwaar aan.

„Ja, dat kan ik me ook voorstellen vanuit het perspectief van het college. Of de conclusies zijn ‘flinterdun’, of onderzoeken zijn ‘niet representatief’ – ik ken het hele repertoire. Maar dat verwijt van geldingsdrang klopt niet. De Rekenkamer is er uiteindelijk voor de Rotterdammers. Dan moet je heldere taal gebruiken om je bevindingen over te brengen. En we onderzoeken vaak menselijk handelen en menselijke fouten. Dan kom je in de buurt van wethouders en topambtenaren – dat doet pijn.”

Heeft u onderhandeld over formuleringen in onderzoeksrapporten?

„Nee, dat heb ik altijd vertikt. Dan begeef je je op een glibberig pad.”

Het college en coalitiepartijen schuiven onwelgevallige conclusies en aanbevelingen vaak terzijde. Heeft u nooit eens gedacht: nemen ze de Rekenkamer wel serieus?

„Nee, het is juist omgekeerd. Als het college alles zomaar zou omarmen, dan gaan hier alle alarmbellen af. Dan hebben wij ons werk niet goed gedaan. En de Rotterdamse gemeenteraad is altijd kritisch en fel. De goede kant daarvan is dat onze onderzoeken heel veel aandacht krijgen.”

Hoeveel onderzoeksverzoeken heeft u deze collegeperiode vanuit de gemeenteraad zelf gekregen?

„De meeste onderzoeken initiëren wijzelf als Rekenkamer. Maar het gemeentebestuur kan inderdaad verzoeken indienen. Vanuit het college is dat een enkele keer voorgekomen in twaalf jaar. En vanuit de gemeenteraad gebeurt het steeds minder, moet ik constateren. Ik krijg wel verzoeken vanuit de oppositie óf de coalitie, maar niet gezamenlijk – ook daarin zie je de afnemende dualiteit.”

Hoeveel gezamenlijke verzoeken heeft u dan sinds 2018 gehad?

„Eén. Vorig jaar, naar de integriteit binnen de gemeente. Nu komt dat denk ik ook omdat we prangende, actuele thema’s steeds beter zelf oppakken als Rekenkamer. Toen ik hier twaalf jaar geleden kwam, wist ik natuurlijk van toeten noch blazen.”

U heeft het openbaar bestuur zien verslechteren. En u gaat er al vanuit dat het college kritiek wegwuift. Is dat geen cynische conclusie?

„Nee, ik heb altijd gezegd ‘ik ben weg voordat ik cynisch word’. De Rekenkamer heeft bovendien twéé wettelijke taken. De eerste is het versterken van de gemeenteraad ten opzichte van het college, de tweede is het transparant maken van het bestuurlijk handelen. Dat laatste is ons zeker gelukt, denk ik – in meer dan honderd kritische onderzoeken.”

NVRR start grootste onderzoek ooit naar praktijk Wob in 98 gemeenten, provincies en waterschappen

Het jaarlijkse DoeMee-onderzoek van de NVRR gaat in 2021 over de praktijk van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Bijna 75 rekenkamers en rekenkamercommissies doen mee, die in totaal werken voor 98 gemeenten, provincies en waterschappen. Voor deze decentrale overheden wordt onderzocht hoe de bestuursorganen omgaan met Wob. Het is daarmee het grootste onderzoek ooit hoe deze wet in de praktijk wordt toegepast. Er is straks een goed beeld van bijvoorbeeld aantallen Wob-verzoeken, de manier waarop een verzoek wordt behandeld, de doorlooptijden en de mate waarin informatie compleet is. De resultaten zijn verder van belang om de invoering van de nieuwe Wet open overheid (Woo) goed vorm te kunnen geven. Het onderzoek wordt uitgevoerd door bureau Pro Facto en mede gefinancierd door het ministerie van BZK. De uitkomsten worden aan het eind van het jaar verwacht.

Achtergronden

De Wob is ruim veertig jaar oud. In de aanhef van die wet staat dat openheid en openbaarheid belangrijk zijn voor een ‘goede en democratische bestuursvoering’. Regelmatig blijken er evenwel problemen rond openbaarheid van overheidsinformatie. Die problemen zijn van verschillende aard en orde. Het gaat dan bijvoorbeeld de problematiek van de verzoekers om openbaarmaking die vooral een financieel belang lijken te hebben, maar die daardoor overheden op aanzienlijke kosten hebben gejaagd. Maar het kost overheden toch ook vaak moeite de uitvoering van de Wob, die veelal als ‘lastig’ wordt gezien, goed op orde te krijgen. Er lijken grote verschillen te zijn tussen overheidsorganisaties. Een systematisch grootschalig onderzoek naar de praktijk ontbreekt echter nog.

Verder heeft op 26 januari 2021 de Tweede Kamer het initiatiefwetsvoorstel Wet open overheid (Woo) aangenomen, dat dit jaar in de Eerste Kamer wordt behandeld. Actieve openbaarmaking van overheidsinformatie staat hierin veel meer dan in de Wob centraal. Omdat de Woo de Wob gaat vervangen, blikken we in dit onderzoek ook vooruit of de deelnemende overheden ‘Woo proof’ zijn.

Centrale onderzoeksvraag

De hoofdvraag van dit onderzoek luidt:

Hoe geven de deelnemende decentrale overheden vorm aan de afhandeling van Wob-verzoeken, in hoeverre gebeurt dit rechtmatig, hoe wordt hierover verantwoording afgelegd (aan volksvertegenwoordiging en samenleving), hoe is actieve openbaarmaking geregeld en hoe verhoudt zich dat tot de eisen die de Woo straks gaat stellen?

Om deze te beantwoorden worden onder meer gesprekken gevoerd met overheden en indieners van verzoeken en beleidsdocumenten geanalyseerd. Verder zullen een kleine 1000 Wob-dossiers worden geanalyseerd.

Opinie: ‘Beter omgaan met burgers begint bij koesteren lokale tegenstem’

In navolging van de adviezen van de Nationale ombudsman en Algemene Rekenkamer aan de informateur, schreven lokale Ombudsman Arre Zuurmond en Scott Douglas als lokale Rekenkamer directeur een bijdrage voor het Het Parool over het herstel van vertrouwen en de menselijke maat.

De essentie: Gebruik gemeenten als tegenstem in het beleid. Geef waar nodig meer geld, maar vooral veel meer ruimte om het geld slim te besteden. Lokale en landelijke volksvertegenwoordigers moeten samen werken in het volgen van beleid, net zoals wij toezichthouders dat meer moeten doen.

In memoriam Watze de Boer

Op 26 maart jl. is Watze de Boer onverwachts overleden. Watze was jarenlang een zeer actief bestuurslid van meerdere rekenkamers en van de NVRR, en een bekend en zeer gewaardeerd lid binnen de vereniging.

Hij startte in 2001 als voorzitter van de Rekenkamercommissie Utrecht. Een lokale rekenkamerfunctie was toen nog niet wettelijk verplicht. Een bereidwillige raad was een begin, maar vervolgens moesten nut en noodzaak toch echt in praktijk bewezen worden. Watze vormde de rekenkamercommissie met toen nog raadsleden, om tot een volledig externe rekenkamer. Hij kon dat goed doen omdat hij het risico van een dergelijk model, het verlies aan contact met de raad, persoonlijk opving. Hij onderhield goede contacten met het bestuur en was een uitstekend netwerker: bestuurlijk correct, inhoudelijk stevig én met humor. Hij was er vooral voor de gemeenteraad, maar niet ‘van de gemeenteraad’. En alle fracties werden gelijk behandeld; groot en klein. Met zijn medewerkers verwierf hij drie maal de nationale NVRR-jaarprijs ‘de goudvink’ voor het beste onderzoeksrapport. Bij zijn afscheid in 2014 na twee succesvolle termijnen, memoreerde toenmalig burgemeester Jan van Zaanen de bijzondere wijze waarop Watze met Rekenkamer Utrecht een gezaghebbende positie had verworven. Watze zelf stapte over naar de Rekenkamer Den Haag waar hij in zijn eerste termijn tot 2019, naast goede onderzoeken, na veel discussie een uitbreiding van het budget bewerkstelligde. Ook volgde nog in 2016 een benoeming als plaatsvervangend directeur van de Rekenkamer Rotterdam.

Ondertussen was hij in 2007 ook gestart met de eerste van twee termijnen als voorzitter van de rekenkamercommissie Rijnland; de eerste rekenkamercommissie bij de waterschappen. Het goede voorbeeld deed volgen, en al snel volgde voorzitterschappen bij de waterschappen Zuiderzeeland en Rivierenland. Daar moesten sommige bestuurders wel even wennen aan het fenomeen rekenkamer. Maar zeker ook aan een Watze de Boer die met kracht van argument en een enkele vileine sneer de rapporten stevig kon presenteren. Zet vijf rekenkamerleden met Watze op een rij, en je wist gelijk wie de voorzitter was. Zijn forse postuur, zijn doorrookte stem, zijn strakke kostuums. En hij wist aan wie hij dat mede te danken had. Hij was ronduit trots op zijn medewerkers bij de rekenkamerbureau’s in Utrecht, Den Haag en bij de waterschappen.

Watze was een sterk voorstander van het delen van kennis en ervaring. Hij richtte, als voorzitter van de rekenkamercommissie Utrecht, in 2003 met Piet van Dijk (Arnhem) en ondergetekende (Rotterdam) de NVRR op. Als eerste penningmeester had hij een scherp oog voor integriteit. Bij een voorstel van derden om met hun stichting een commerciële samenwerking aan te gaan verhief hij zijn stem en beide handen onder de uitroep “Maar dat kan toch gewoon niet!”. Ook het hamsteren door consultants van vele voorzittersfuncties overal in den lande als verdienmodel, kon op zijn kritisch commentaar rekenen. Tegelijkertijd was hij makkelijk zo niet joviaal in de omgang. Goed betrekkingen onderhouden met bestuurders, ambtelijke diensten en met de collega’s binnen de NVRR ging hem prima af. Scherp zijn op de inhoud, en tegelijkertijd de relatie goed houden was zijn motto. Hij heeft met die opstelling een grote bijdrage geleverd aan de totstandkoming en uitbouw van de vereniging. Bij zijn aftreden als penningmeester kwam de benoeming tot erelid hem dan ook volkomen toe.

Ook daarna bleef hij actief in de NVRR onder andere als deelnemer aan het G4-overleg. Ook daar veel aandacht voor persoonlijke relaties. Collegiaal en met humor. Jan de Ridder herinnert zich dat bij de opening van het nieuwe kantoor van de Rekenkamer Amsterdam, Watze een grote cactus mee bracht. Dat vond hij wel passend voor een rekenkamer. Hij had ook oog voor collega’s met een kleiner budget. Gevoed vanuit zijn lange ervaring in rekenkamerland en zijn betrokkenheid bij de vereniging. “Ook de kleine rekenkamers doen hun best, net als wij”. Het moest wel netjes geregeld zijn. Er werd binnen de G4 regelmatig gesproken over het belang om binnen de eigen regio het contact te zoeken met rekenkamers. Hij gaf daar ook daadwerkelijk inhoud aan door het organiseren van – dat dan weer wel – borrels.

Ook bij de jaarvergaderingen van de NVRR was Watze bijna altijd, en dan ook prominent, aanwezig. Niet in het minst door de vereniging een enkele maal voor uitglijders te behoeden. Gezeten op de eerste rij bracht hij het bestuur met stevig doorvragen op het spoor van onjuist verwerkte subsidies en zelfs van een vervalste accountantsverklaring. Daarbij was zijn toon nooit die van een scherpslijper of betweter. Aan die beroepsdeformatie van rekenkamerleden onttrok hij zich met gemak. Hij kon er stevig ingaan, maar voor de ander was altijd duidelijk dat het hem oprecht ging om het beter functioneren van het openbaar bestuur. Niet om zijn eigen gelijk of profilering. Al kon je, aan zijn pretogen onder de geloken oogleden, wel zien dat hij genoot van het bijhorend steekspel.

Na de vergadering was hij als eerste bij de bar en als laatste vertrokken. Een borrel drinken en sterke verhalen vertellen over rekenkamersuccessen was aan hem wel besteed. We gaan stevige standpunten en zijn hartelijke lach op de bijeenkomsten van rekenkamers missen.

Robert Mul, oud-voorzitter NVRR

Nederlandse Vereniging van Rekenkamers & Rekenkamercommissies

Het NVRR-secretariaat is bereikbaar op werkdagen van 9.00 tot 17.00 uur.

Telefoon: 085 - 225 02 75
E-mail: info@nvrr.nl
Start live-chat

Website door Interactie Groep.